Art. 0016 Rev. 1789

Schermbloemenfamilie

Inhoud
  1. Taxonomie
  2. Beschrijving
  3. Nuttige planten
  4. Giftige planten
  5. Silphium
  6. Zie ook
  7. Referenties

“Umbelliferae” verwijst hierheen door. Voor het bloemhoofd waaraan de familie haar naam ontleent, zie Scherm. Voor het geslacht van de berenklauwen, zie Heracleum.

Apiaceae, ook Umbelliferae of de schermbloemenfamilie genoemd, is een familie van bedektzadige planten in de orde Apiales. De leden, de schermbloemigen, zijn overwegend aromatische kruiden, vaak met holle stengels, en meestal met gedeelde bladeren waarvan de bladstelen de stengel aan de voet omvatten. Hun bloemen staan doorgaans in samengestelde schermen, en de droge vrucht splitst in twee helften, elk met één zaad.123 Kews World Checklist of Vascular Plants aanvaardt 457 geslachten en 4.028 soorten, al lopen andere gepubliceerde tellingen sterk uiteen.4 De familie groeit over de hele wereld en is het rijkst vertegenwoordigd in de gematigde streken van het noordelijk halfrond.1

De familie voedt en vergiftigt tegelijk: een flora van Irak noemt haar “van aanzienlijk economisch belang”, met dodelijke giften onder haar soorten naast voedselgewassen.5 Ze levert groenten als de wortel, de pastinaak en selderij, en kruiden en specerijen als peterselie, dille, venkel, koriander, komijn, karwij en anijs;2 alleen al het Chinese vasteland verbouwt zo’n tweevijfde van ’s werelds wortels en rapen.6 Ze omvat ook de gevlekte scheerling, wier alkaloïden zenuwgiften zijn,7 de waterscheerlingen, die tot de giftigste planten van Noord-Amerika en het Verenigd Koninkrijk worden gerekend,8 en reuzenberenklauw en wilde pastinaak, die de huid die ermee in aanraking is geweest, doen verbranden zodra ze aan zonlicht wordt blootgesteld.910

Silphium, een verloren plant uit het antieke Cyrenaica met een stengel als die van reuzenvenkel, is met verscheidene schermbloemigen geïdentificeerd, maar met geen enkele met zekerheid.111213 Het sap ervan werd, volgens Plinius, tegen zilver opgewogen. In zijn tijd, de eerste eeuw na Christus, was de plant in Cyrenaica niet meer te vinden, en een overzichtsartikel uit 2026 noemt haar verdwijning het eerste geval van door de mens veroorzaakte plantuitroeiing in de geschreven geschiedenis.1415

Taxonomie

Omvang

De tellingen van de familie lopen uiteen naargelang de bron. De World Checklist of Vascular Plants aanvaardt, in haar versie van 4 juni 2026, 457 geslachten, waarvan twee hybride geslachten, en 4.028 soorten, waarvan 21 benoemde hybriden.4 Op 26 september 2026 gaf Plants of the World Online, Kews website die de Checklist presenteert, 456 geslachten op haar familiepagina, en via haar zoekdienst 458 geslachten en 4.001 soorten.16 Andere gepubliceerde schattingen lopen van 2.850 tot 3.820 soorten, en van “meer dan 200” geslachten tot 466.17118

Gepubliceerde tellingen van geslachten en soorten
BronGeslachtenSoorten
World Checklist of Vascular Plants (2026)4574.028
Plants of the World Online (2026)456 of 4584.001
Kew Temperate Plant Families Identification Handbook (2023)ca. 4663.820
Clarkson et al. (2021)466–
Christenhusz & Byng (2016)ca. 442ca. 3.575
Neotropikey (vanaf 2009)428–4343.500–3.780
Trees of New Guinea (2022)434ca. 3.800
Flora of Iraqmeer dan 2003.000
Flora of the Cayman Islands (2012)meer dan 2002.850
Bronnen: World Checklist;4 Plants of the World Online;16 het Kew-handboek,1 Neotropikey,2 Trees of New Guinea,19 Flora of Iraq5 en Flora of the Cayman Islands,17 zoals aangehaald op Plants of the World Online; Clarkson et al.;18 Christenhusz & Byng.20

De grootste geslachten in de World Checklist zijn Eryngium (265 soorten), Ferula (231) en Bupleurum (225); de berenklauwen, Heracleum, tellen er 93.4 Een artikel uit 2025 noemt niettemin Ferula het grootste geslacht van de familie.21

Plaatsing

De classificatie van de Angiosperm Phylogeny Group, APG IV (2016), plaatst Apiaceae in de orde Apiales, in de campanulide clade van de asteriden, samen met Pennantiaceae, Torricelliaceae, Griseliniaceae, Pittosporaceae, Araliaceae en Myodocarpaceae. APG IV nummert haar 416 families in één doorlopende reeks, en Apiaceae staat als laatste.22 De grens met Araliaceae was lang onduidelijk: moleculair onderzoek verplaatste Hydrocotyle van Apiaceae naar Araliaceae, en de Mackinlaya-groep de andere kant op.223 Apiaceae zijn doorgaans kruiden zonder steunblaadjes, met een droge vrucht van twee helften; Araliaceae zijn doorgaans struiken en bomen met steunblaadjes, met een besachtige steenvrucht.2

Onderfamilies

Momenteel worden vier onderfamilies erkend: Apioideae, Saniculoideae, Azorelloideae en Mackinlayoideae, de laatste twee in 2004 benoemd.1824 Apioideae, de grootste, telt zo’n 400 geslachten en 3.000 soorten, waaronder de wortel, peterselie, komijn, koriander en karwij.2526 De oude onderfamilie Hydrocotyloideae is uiteengevallen: 40 van haar 42 geslachten werden in 2009 bemonsterd, en ze vielen uiteen in ten minste zes lijnen verspreid over Apiaceae en Araliaceae; haar typegeslacht, Hydrocotyle, hoort thuis in Araliaceae.23 Een studie uit 2021, die 234 geslachten sequenceerde, bevestigde de vier onderfamilies en vond dat Platysace de zustergroep van alle overige Apiaceae is.18

Namen

De familie heeft twee geldige namen. Umbelliferae Juss. werd gepubliceerd in Genera Plantarum, gedateerd 4 augustus 1789, en Apiaceae Lindl. in de tweede editie van Introduction to the Natural System of Botany, gedateerd 13 juni 1836. Beide zijn geconserveerd.1622

De botanische Code, de International Code of Nomenclature for algae, fungi, and plants, vormt de naam van een familie uit die van een van haar geslachten met de uitgang -aceae, “maar zie Art. 18.5”. Dat artikel verklaart negen traditionele namen, “of long usage”, geldig gepubliceerd te zijn hoewel ze niet op die manier zijn gevormd, en Art. 18.6 staat als alternatieven acht namen toe die op de gewone wijze uit een geslacht zijn gevormd, de nomina alternativa.2722 Het alternatief voor Umbelliferae is Apiaceae, van Apium, het geslacht van de selderij, dat het type van beide namen is; andere paren zijn Compositae en Asteraceae, Gramineae en Poaceae, en Leguminosae en Fabaceae, een alternatief dat Leguminosae deelt met Papilionaceae.274

In de Code is Apiaceae dus het alternatief; in APG IV, dat Apiaceae gebruikt, is het juist Umbelliferae dat als alternatief tussen haakjes verschijnt. APG IV, de eerste lijst in haar reeks die ze afdrukte, merkte op dat de Royal Botanic Gardens, Kew, Compositae en Leguminosae officieel onderschrijft maar Apiaceae gebruikt, niet Umbelliferae.22

Umbelliferae betekent “schermdragend”, van het Latijnse umbella, “zonnescherm” of “parasol”, een verkleinwoord van umbra, “schaduw”, en -fer, van fero, “ik draag”.32829 Apium was het Latijn voor peterselie of selderij.28

Beschrijving

Schermbloemigen zijn overwegend aromatische kruiden; dwergstruiken, struiken en bomen zijn zeldzaam, en in Nieuw-Guinea is Mackinlaya het enige geslacht dat bomen vormt.119 De stengels zijn tussen de knopen vaak hol, waar een omvangrijk merg krimpt naarmate de stengel rijpt.15 De bladeren staan doorgaans verspreid en zijn samengesteld of diep gedeeld; de bladsteel omvat de stengel meestal aan de voet, en steunblaadjes ontbreken meestal.12

De bloeiwijze is doorgaans een samengesteld scherm, waarvan elke straal eindigt in een kleiner scherm, het schermpje; minder vaak is het een enkelvoudig scherm, een hoofdje, zoals bij Eryngium, of een bijscherm.1526 De bloemen zijn doorgaans tweeslachtig en volgens een vijftallig bouwplan, met een onderstandig vruchtbeginsel van twee vruchtbladen. De voet van de stijlen is vaak verdikt tot een nectarafscheidend stylopodium, en de buitenste bloemen van een scherm kunnen vergroot zijn, of “stralend”.15

Volgens de flora van Irak zijn de bloeiwijzen vaak “polygaam”: het eindscherm is doorgaans tweeslachtig, of gemengd, en de zijschermen zijn geheel mannelijk, of gemengd.5 Bij de reuzenberenklauw heeft het eindscherm doorgaans alleen tweeslachtige bloemen, en de schermen van de vierde orde doorgaans alleen mannelijke; zie Scherm § Verdeling van het werk.30

Schermen die één enkele bloem nabootsen, pseudanthia genoemd, zijn in de onderfamilie Apioideae ten minste 36 keer ontstaan, met 46 terugvallen.26 Veel schermbloemigen met massale vertoningen, zoals Ferula, Heracleum en Angelica, zijn monocarpische overblijvende planten: na verscheidene seizoenen van groei bloeien ze eenmaal in hun leven, met tienduizenden bloempjes. Zulke vertoningen vergen, schrijven de auteurs van de studie, veel hulpbronnen en zijn “nauwelijks vol te houden”.26

De vrucht is een droge splitvrucht (schizocarpium), soms cremocarpium genoemd, van het Grieks voor “ik hang” en “vrucht”. Ze splitst in twee deelvruchten, elk met één zaad en doorgaans vijf hoofdribben, die gevleugeld, kurkachtig of stekelig kunnen zijn.153 Bij rijpheid blijven de helften aan de top verbonden met een dunne, vaak gevorkte steel, de carpophoor.31 Oliebuizen, de vittae (Latijn voor “banden”), lopen tussen en onder de ribben en aan de binnenzijde; ze komen veel voor maar niet overal.3153

Schermbloemigen produceren vluchtige fenylpropanoïden, furanocoumarinen, sesquiterpeencoumarinen, polyacetylenen en ftaliden, waarvan sommige van geen enkele andere familie bekend zijn.32 Onder de polyacetylenen zijn die van het falcarinoltype het meest verbreid; ze komen voor in wortel, knolselderij, pastinaak en peterselie en hebben antibacteriële en antischimmelwerking;3334 verwante, sterk neurotoxische verbindingen kenmerken de giftige geslachten Bupleurum, Cicuta en Oenanthe.35

Nuttige planten

Gewassen

De meeste gewassen van de familie komen oorspronkelijk uit het Middellandse Zeegebied en worden nu over de hele wereld verbouwd. Neotropikey noemt peterselie, venkel, dille, koriander, komijn, karwij en anijs onder de kruiden en specerijen, en wortels, pastinaken en selderij onder de groenten.218 In de neotropen wordt culantro, Eryngium foetidum, als vervanger voor koriander gebruikt.2

Gewassen van de schermbloemenfamilie en hun aanvaarde namen
GewasAanvaarde naam
WortelDaucus carota subsp. sativus (Hoffm.) Schübl. & G.Martens
PastinaakPastinaca sativa L.
Selderij, knolselderijApium graveolens L.
PeterseliePetroselinum crispum (Mill.) Fuss
DilleAnethum graveolens L.
VenkelFoeniculum vulgare Mill.
KorianderCoriandrum sativum L.
KomijnCuminum cyminum L.
KarwijCarum carvi L.
AnijsPimpinella anisum L.
LavasLevisticum officinale W.D.J.Koch
EngelwortelAngelica archangelica L.
DuivelsdrekFerula assa-foetida L.
SuikerwortelSium sisarum L.
ArracachaArracacia xanthorrhiza Bancr.
CulantroEryngium foetidum L.
Namen aanvaard in de World Checklist of Vascular Plants in september 2026.4

Productie

FAOSTAT, de statistische databank van de Voedsel- en Landbouworganisatie, heeft geen aparte post voor de wortel alleen. Ze telt wortels samen met rapen, die geen schermbloemigen zijn, en heeft geen aparte posten voor selderij of peterselie; haar specerijenpost voor anijs, koriander, komijn, karwij en venkel omvat ook steranijs en jeneverbessen.6 In 2024, het meest recente jaar, produceerde de wereld naar schatting 45,1 miljoen ton wortels en rapen op 1,27 miljoen hectare, 7,7 keer zoveel als in 1961 en ongeveer 3,8 procent van alle primaire groenten.6

De productie is geconcentreerd in enkele landen. Het Chinese vasteland teelde in 2024 19,0 miljoen ton wortels en rapen, 42 procent van het wereldtotaal, gevolgd door Oezbekistan met 7,9 procent en India met 6,1 procent.6 India produceerde 2,11 van de 2,67 miljoen ton in de specerijenpost, 79 procent.6

Grootste producenten van wortels en rapen, 2024
LandTonAandeel wereld
China (vasteland)19.040.46842,2%
Oezbekistan3.566.9317,9%
India2.776.3326,1%
Russische Federatie1.383.1553,1%
Verenigde Staten1.123.3222,5%
Wereld45.149.160100%
FAOSTAT-post 0426, “Carrots and turnips” (wortels en rapen). De cijfers voor China en de wereld zijn schattingen, en dat voor Rusland is geïmputeerd; de aandelen zijn berekend uit de tonnages.6

De oranje wortel

De wortel werd waarschijnlijk gedomesticeerd in Centraal-Azië, waar de wilde wortels vandaan komen die het dichtst bij de gecultiveerde staan.36 De Europese veredeling begon met paarse en gele wortels uit de Arabische wereld. Oranje wortels ontstonden waarschijnlijk door mutatie uit gele en vervolgens door selectie, en men neemt “algemeen aan” dat ze in Nederland zijn ontstaan; tegen de zeventiende eeuw hadden ze de paarse vormen in Europa en het Middellandse Zeegebied verdrongen.37 De berichten over de datum lopen uiteen: Banga herleidde de moderne oranje wortel tot Nederlandse veredeling in de achttiende eeuw, het World Carrot Museum tot Nederlandse telers in de zestiende.3738

Het verhaal dat de Nederlanders de oranje wortel veredelden ter ere van Willem van Oranje is een legende. Het World Carrot Museum, geleid door John Stolarczyk, noemt het “waarschijnlijk apocrief” en zegt dat er geen documentair bewijs voor bestaat. Dezelfde site citeert de historicus Simon Schama voor een latere associatie: in de achttiende eeuw werd het opvallend uitstallen van oranje wortels op de markt ooit opgevat als “een uitdagend gebaar van steun” voor het verbannen Huis van Oranje.38 Carrot is in het Engels sinds de jaren 1670 een kleurwoord, aanvankelijk voor rossig haar.29

De wortel in oorlogstijd

In de Tweede Wereldoorlog promootte het Britse ministerie van Voedsel de wortel. De campagne “Dig for Victory” (“Graaf voor de overwinning”) gebruikte twee stripfiguren als mascotte, Doctor Carrot en Potato Pete, en volgens Stolarczyk moedigde het ministerie zo veel extra teelt aan dat het land tegen 1942 een overschot van 100.000 ton wortels had.39 De Disney-tekenaar Hank Porter ontwierp een eigen wortelfamilie, Carroty George, Pop Carrot en Clara Carrot, maar de regering verspreidde die niet op grote schaal. Terwijl suiker gerantsoeneerd was op acht ounce (ca. 227 g) per volwassene per week, verzoetten wortels puddingen, cakes en marmelade, en gingen ze met koolrapen in een drank genaamd “carrolade”. Lord Woolton, de minister van Voedsel, noemde het “een voedseloorlog”, waarin elke extra rij groenten in de volkstuinen scheepsruimte bespaarde.39

Selderij als luxe

In het oude Griekenland bekroonden kransen van selinon, wilde selderij of peterselie, de overwinnaars van de Isthmische en Nemeïsche Spelen. Zulke kransen werden ook op graven gehangen, en van een zwaar zieke werd gezegd dat hij “selinon nodig had”, wat betekende dat hij de dood nabij was.4028 Het blad van de wilde selderij was een woordspelend embleem op de munten van Selinus op Sicilië.41

Het woord celery (selderij) kwam in de jaren 1660 het Engels binnen als “sellery”, van het Franse céleri, oorspronkelijk sceleri d’Italie.29 In 1699 schreef John Evelyn dat “Sellery”, vroeger “bij ons een vreemde”, vanwege zijn “voorname en aangename smaak” “altijd werd geplaatst in het midden van de Grote Salade, aan de tafels van onze Grote Heren en bij de feestmalen der pretors, als de sieraad van de hele tafel”.42 Het Metropolitan Museum of Art bewaart een Amerikaanse geperste glazen selderijvaas uit 1840–1850.43

Giftige planten

Gevlekte scheerling

De gevlekte scheerling, Conium maculatum, dankt haar giftigheid aan piperidine-alkaloïden, voornamelijk coniine en γ-coniceïne, de giftigste van de twee en de eerste die wordt gevormd. Ze komen voor in alle vegetatieve organen, de bloemen en de vrucht, en hebben een kenmerkende “muizige” geur.744 Het zijn neurotoxinen: de dood komt door ademhalingsfalen, op een manier die aan curare doet denken, en chronische inname door drachtig vee veroorzaakt misvormingen van de foetus.7 Coniine, dat nicotinerge acetylcholinereceptoren blokkeert, was het eerste alkaloïde waarvan de structuur werd bepaald en dat werd gesynthetiseerd. Giseke isoleerde het in 1826, Hofmann stelde de structuur vast in 1881, en Ladenburg synthetiseerde het in 1886.45

De dood van Socrates

Socrates stierf in 399 v.Chr., en Plato beschrijft zijn dood in de Phaedo.4645 De man die komt “met de gifbeker” zegt hem rond te lopen tot zijn benen zwaar worden en zich dan neer te leggen. Als Socrates vraagt of hij een plengoffer uit de beker mag gieten, luidt het antwoord: “Wij bereiden, Socrates, slechts zoveel als wij voldoende achten.” Later drukt de man op zijn voet en zijn benen, die alle gevoel hebben verloren, “en zo steeds hoger”, tot hij koud en stijf is. Socrates’ laatste woorden gaan over een schuld: “Crito, ik ben Asclepius een haan schuldig; wil je eraan denken die schuld te betalen?”47 In het Grieks van deze scène is het middel enkel to pharmakon, “het middel” of “het vergif”, al gemalen aangebracht; het woord voor scheerling, kōneion, komt er niet in voor.47

Of Plato de scheerlingvergiftiging naar waarheid beschreef, staat ter discussie. Dayan betoogde in 2009 dat de verlamming die vanuit de voeten opstijgt kenmerkend is voor scheerling, maar het opvallende gevoelsverlies niet, en dat Plato, die geen slechte smaak of maag-darmklachten vermeldt, mogelijk een “verhevener” verslag gaf;46 in 2024 concludeerde hij dat nauwkeurige lezing van het Grieks veel van de discrepanties oplost, en dat de dood kan worden aanvaard als een beperkte gevalsbeschrijving van scheerlingvergiftiging.48 Hotti en Rischer opperen dat de drank een mengsel kan zijn geweest, bijvoorbeeld van scheerling en opium.45

Scheerling in Athene en op Keos

Toen Phocion in 318 v.Chr. in Athene werd terechtgesteld, was de beul de scheerling aan het fijnwrijven. Het middel raakte op, en hij weigerde meer te malen tenzij hij twaalf drachmen kreeg, “de prijs van het benodigde gewicht”; Phocion vroeg zich af “of een mens in Athene niet eens kon sterven zonder voor dat voorrecht te betalen”, en liet een vriend betalen.49

Theophrastus vermeldt dat Thrasyas van Mantineia een vergif maakte voor “een gemakkelijk en pijnloos einde”, uit de sappen van scheerling, papaver en andere zulke kruiden, in een zeer kleine dosis. De bevolking van Keos, voegt hij toe, had haar manier van scheerling innemen veranderd: men stroopte nu de bast af, kneusde die in een vijzel, zeefde haar en dronk haar met water besprenkeld, “zodat de dood snel en licht wordt gemaakt”.50 Volgens Strabo, die Menander aanhaalt, zou een oude wet van Keos hebben bepaald “dat wie ouder dan zestig jaar was, gedwongen moest worden scheerling te drinken, opdat er voldoende voedsel voor de overigen zou zijn”.51

Waterscheerlingen

Het Poisonous Plant Research Laboratory van het Amerikaanse ministerie van Landbouw noemt de waterscheerling “de heftigst giftige plant die in Noord-Amerika groeit”. Een kleine hoeveelheid vergiftigt vee of mensen; haar gif, cicutoxine, werkt rechtstreeks op het centrale zenuwstelsel als een hevig convulsivum; en de knolwortels zijn het gevaarlijkste deel.52 Een klinisch overzichtsartikel, dat soorten van zowel Cicuta als Oenanthe tot de waterscheerlingen rekent, is behoedzamer en plaatst ze “onder de giftigste planten” van Noord-Amerika en het Verenigd Koninkrijk. Cicutoxine en oenanthotoxine zijn geen alkaloïden maar C17-polyacetylenen, die GABA-receptoren blokkeren en toevallen veroorzaken.8

Dodemansvingers

Dodemansvingers, Oenanthe crocata, is “wellicht de giftigste plant van de Britse eilanden” genoemd. Haar wortels zijn het giftigste deel, en worden per vergissing gegeten in plaats van andere wortels.53 Een overzichtsartikel uit 2020 noemt haar samen met Cicuta virosa de twee giftigste planten van de Britse flora; beide lijken op selderij en peterselie.54

Ze is in verband gebracht met de sardonische grijns. Pausanias schrijft dat Sardinië vrij is van giften, op één plant na: “Dit dodelijke kruid lijkt op selderij, en men zegt dat wie het eet lachend sterft. Vandaar dat Homerus, en mensen na hem, ongezond lachen sardonisch noemen.”55 Homerus’ woord is sardanion, gebruikt voor de “grimmige, bittere glimlach” van Odysseus terwijl hij een naar hem geworpen ossenhoef ontwijkt.56

In 2009 vonden Appendino en collega’s dat oenanthotoxine en dihydro-oenanthotoxine, geïsoleerd uit de Sardijnse O. fistulosa, GABA-opgewekte stromen krachtig blokkeren. Zij concludeerden dat er weinig twijfel over bestaat dat de herba sardonica van de antieke geneeskunde O. crocata is, die in het Middellandse Zeegebied alleen op Sardinië algemeen is, en dat de gezichtskramp die ze veroorzaakte de risus sardonicus was. Ze melden ook het antieke verhaal dat op pre-Romeins Sardinië oude mensen die niet meer voor zichzelf konden zorgen, met het kruid werden bedwelmd en vervolgens van een hoge rots gegooid of doodgeslagen.57 Zowel het woord als de plant zijn omstreden. Het lexicon van Liddell en Scott brengt Homerus’ sardanios mogelijk in verband met sesērōs, “grijnzend”, en merkt op dat de spelling sardonios, naar Sardinië, later is; het identificeert de Sardijnse plant van de antieke verklaring als Ranunculus sardous, de behaarde boterbloem, een ranonkel en geen schermbloemige.40

Fototoxische leden

Verscheidene schermbloemigen bevatten furanocoumarinen, verbindingen die de huid in zonlicht doen verbranden, een reactie fytofotodermatitis genoemd. Furanocoumarinen komen vooral voor in vier onverwante families, Apiaceae, Fabaceae, Moraceae en Rutaceae, en hun biosyntheseroute is in verscheidene daarvan onafhankelijk ontstaan; de hoekige furanocoumarinen worden vooral in Apiaceae aangetroffen.5859 Toen hij ontdekte dat een ervan, xanthotoxine, giftig is voor rupsen, en minder zonder ultraviolet licht, interpreteerde Berenbaum dit als een “biosynthetische ontsnapping” aan insectenvraat; zie ook groot platlijfje.60

Contact met reuzenberenklauw gevolgd door zonlicht kan blaren en blijvende hyperpigmentatie veroorzaken bij mensen die er tijdens hun werk aan zijn blootgesteld, en bij één kind veroorzaakte het een brandwond over de volle huiddikte waarvoor huidtransplantatie nodig was.961 Wilde pastinaak, in Noord-Amerika geïntroduceerd als wortelgewas, groeit er nu wild op prairies en langs wegen; de stengels en bladeren bevatten furanocoumarinen, en contact gevolgd door zonlicht veroorzaakt blaren en vervolgens hyperpigmentatie.10

Ook selderij kan verbranding veroorzaken. In 1983 veroorzaakte selderij die was aangetast door de schimmel Sclerotinia sclerotiorum ernstige fototoxische dermatitis bij elf oogsters.62 In 1986 werd een blaarvormende uitslag gemeld bij 30 van de 127 werknemers in de winkels van één supermarktketen, onder wie alle acht medewerkers van de groente- en fruitafdeling. Contact met selderij had het hoogste relatieve risico, 6,3, en het ziekteresistente kwaliteitsmerk selderij van de keten bevatte hogere gehaltes furanocoumarinen dan andere merken. Een landelijke steekproef bij de winkels van de keten vond de uitslag in 13 van de 17 staten en bij 26 procent van de onderzochte medewerkers van de groente- en fruitafdeling, en de auteurs opperden dat het veredelen van selderij op ziekteresistentie het furanocoumarinegehalte kan verhogen.63 Een jaar later, in een onderzoek in Oregon, kwamen alle 19 gevallen uit één winkel, die een selderijaanbieding had gehouden waardoor de verkochte hoeveelheid selderij verviervoudigde.64 Selderij eten alleen kan al genoeg zijn: een vrouw van 65 raakte over haar hele lichaam ernstig verbrand in een zonnebankstudio, een uur nadat ze een grote hoeveelheid knolselderij had gegeten.65

Silphium

Fig. 1 Silphium op de munten van Cyrene

De silphiumplant als embleem op de munten van Cyrene, met haar bloeiende zijtakken in tegenoverstaande paren. Schematisch.4112

Silphium (Grieks silphion, Latijn laserpicium, de hars ervan laser) groeide in Cyrenaica: volgens Herodotus reikte “het land van het silphium” van het eiland Platea tot de ingang van de Syrtis.66 Theophrastus beschrijft een dikke wortel, een stengel als die van reuzenvenkel, bladeren als selderij, die schapen zuiverden, hen vetmestten en hun vlees “wonderbaarlijk heerlijk” maakten, en een brede, bladachtige vrucht.11

Monopolie en prijs

De oogst was gereguleerd. “Zij hebben voorschriften, zoals die in mijnen worden gebruikt, voor het snijden van de wortel”, schreef Theophrastus, “volgens welke zij zorgvuldig de juiste hoeveelheid vaststellen die gesneden mag worden, met inachtneming van eerdere sneden en de voorraad van de plant. Want het is niet toegestaan haar verkeerd te snijden, noch meer te snijden dan de vastgestelde hoeveelheid.” “Mijnen” berust op één manuscript; de Aldijnse editie leest “maten”. De plant kon niet worden verbouwd: “naarmate het land in cultuur wordt gebracht en getemd, trekt zij zich terug”.11 De handel was een koninklijk monopolie van de Battiadische koningen van Cyrene en droeg sterk bij aan de welvaart van de stad. Libiërs verzamelden het sap in de steppe, en in Cyrene werd het met tarwemeel gestabiliseerd en naar Athene uitgevoerd.13 Koerper en Moerman schrijven dat verkoop tegen “monopolieprijzen” de steden van Cyrenaica sterk hielp rijk te worden.41 De koningen probeerden de handel voor zichzelf te houden, maar er werd silphium naar de Carthagers gesmokkeld.12 De exploitatie nam waarschijnlijk af vanaf de hellenistische periode, en nadat het Libië van Ptolemaeus Apion in 96 v.Chr. aan Rome was overgegaan, was Rome de enige begunstigde.13

Kort nadat in de zesde eeuw v.Chr. het muntstelsel was ingevoerd, verschenen de plant en haar zaaddoos op de munten van Cyrene, Barce, Euhesperides en Teuchira;41 in de chronologie van A. Laronde bleven ze het embleem van Cyrene tot in het laatste kwart van de derde eeuw v.Chr.13 Koerper en Moerman lezen de overdreven stengel en de testikel- of hartvormige zaaddozen als opzettelijke seksuele reclame; Amigues meent dat de vrucht bij zo’n mate van stilering haar waarde als botanisch bewijs verliest.4113

Plinius zegt dat het sap tegen zilveren denarii werd afgewogen, ad pondus argentei denarii repensum, “verkocht tegen dezelfde koers als zilver” in de vertaling van Bostock en Riley; een populair artikel op de website van Kew maakt er “zijn gewicht in goud waard” van.1467 In 93 v.Chr. werden dertig pond ervan voor de staat van Cyrene naar Rome gebracht, en bij het begin van de burgeroorlog nam Caesar, als dictator, 1.500 pond ervan uit de staatskas, samen met het goud en het zilver.14 Amigues dateert dit op 49 v.Chr.13

Verdwijning

Tegen de tijd van Plinius was de plant al vele jaren niet meer in Cyrenaica gevonden, omdat de publicani, de belastingpachters die de weidegronden pachtten, het winstgevender vonden er schapen op te laten grazen. Eén enkele stengel was binnen levende herinnering gevonden, en werd naar keizer Nero gestuurd.14 Het enige laser dat Rome nog bereikte, was een mindere soort uit Perzië, Medië of Armenië, vaak vervalst.14 Amigues identificeert dit “Medische sap” met duivelsdrek, Ferula assa-foetida,13 die in het Duits Teufelsdreck heet en in het Engels “devil’s dung” — beide betekenen, net als de Nederlandse naam, “drek van de duivel”.68

Andere antieke schrijvers gaven andere oorzaken. Strabo zegt dat de plant ooit bijna verloren ging toen barbaren, uit wrok, probeerden alle wortels te vernietigen.69 Solinus vertelt van een inval en vervolgens van de bewoners die de planten zelf bijna volledig uitgroeven vanwege de ondraaglijke overmaat van de belasting, ob intolerandam vectigalis nimietatem; maar Mommsen toonde, Salmasius volgend, aan dat zijn passage grotendeels is ontleend aan het verslag van Plinius over ladanum.70

In de late vierde eeuw vermeldde Oribasius nog altijd “Cyrenaïsch sap” onder de gewone geneesmiddelen, al oppert Amigues dat de naam toen al eerder een kwaliteitsgraad dan een herkomst aanduidde. Volgens haar bewonderde Synesius van Cyrene in het jaar 402 een silphiumplant in de tuin van zijn broer en stuurde hij in 405 “veel silphiumsap” mee onder weelderige geschenken naar Constantinopel; Chamoux leest hierin dat het een zeldzame curiositeit was geworden die in tuinen werd gehouden.13 Het Kew-artikel zegt daarentegen dat de plant al in de tweede eeuw v.Chr. als uitgestorven werd beschouwd.67

Moderne schrijvers wegen de oorzaken verschillend. Amigues verwerpt zowel de inval als de belastingpachters: volgens Strabo’s cijfers besloeg de silphiumzone meer dan 19.000 km², te veel om door nomaden te worden leeggehaald, en Plinius’ beroep op de hebzucht van de publicani vindt zij nog minder overtuigend. Naar haar mening werden de wortels overgeëxploiteerd, aangezien het winnen van het sap de wortel doodt, zoals bij de winning van duivelsdrek in Perzië, en vraten planteneters de bovengrondse delen op; ze betwijfelt of “uitroeiing” wel het juiste woord is.13 Miski wijt het aan overexploitatie “gedreven door winst op korte termijn”, naast andere factoren, maar noemt de monocarpische levenswijze van de plant en haar uiterst trage groei als de waarschijnlijke hoofdoorzaak.12 Appendino schrijft dat de historische bronnen “een hebzuchtig landbeheerbeleid” de schuld gaven, waarschijnlijk verergerd door eerdere overexploitatie.15 Het Kew-artikel voegt daar Romeinse overexploitatie, verwoestijning en de mogelijkheid aan toe dat silphium een steriele hybride van twee reuzenvenkels was.67

Gebruik en identiteit

Silphium werd gebruikt als kruiderij en als geneesmiddel: Plinius rekent laser “onder de kostbaarste geschenken die de Natuur ons heeft gegeven” en somt 39 middelen op.71 Koerper en Moerman stellen dat het algemeen bekendstond als bevorderlijk voor anticonceptie en abortus. Appendino vindt hiervoor, noch voor het gebruik ervan als afrodisiacum, steun in de documenten van vóór het uitsterven: silphium was in wezen een culinaire luxedelicatesse, slechts af en toe een geneesmiddel, en latere verwijzingen naar abortus kunnen op duivelsdrek slaan, waarvan de bronnen de sterk oestrogene verbinding ferutinine bevatten.4115

Welke plant silphium was, blijft onopgelost. Voorgestelde kandidaten zijn onder meer Ferula tingitana, F. communis, Thapsia garganica en Cachrys ferulacea.12 Amigues concludeerde dat Margotia gummifera de levende soort is die het dichtst bij silphium staat, maar niet dat het silphium zelf is, en dat archeobotanie nodig is; Appendino vindt haar eveneens de naaste levende verwant op grond van morfologische gelijkenis, zoals de Duitse botanicus Link al in het begin van de negentiende eeuw opperde.1315 Drie geslachten van de familie, Laserpitium, Laser en Silphiodaucus, dragen de namen van de verloren plant.16

De Ferula drudeana-hypothese

In 2021 opperde Mahmut Miski dat silphium in Anatolië voortleeft als Ferula drudeana. Walter Siehe verzamelde haar voor het eerst in 1909, in de provincie Adana, en Korovin publiceerde haar in 1947 zonder haar ooit in het veld te hebben gezien. Miski vond haar in 1983 bij de Hasan Dağı in Cappadocië, en ze werd in 2004 opnieuw gevonden op Siehes vindplaats. Haar kleine populaties, op drie plaatsen, zijn alle verbonden met voormalige Griekse dorpen, vaak in beschutte enclaves zoals door stenen muren omsloten boomgaarden.12 Miski wijst op de zeldzame tegenoverstaande opstelling van haar bloeiende zijtakken, zoals op de munten; op haar papierachtige, bladachtige halve vruchten, zoals Theophrastus’ brede vrucht; op een aangenaam geurende gomhars; en op stengels die na zware voorjaarsregens omhoogschieten. Hij veronderstelt dat smokkelaars het zaad in de oudheid naar Anatolië brachten, maar erkent dat de identiteit niet kan worden bevestigd voordat de plant is vergeleken met een archeologisch monster van silphium.12 Latere artikelen van zijn groep noemen haar “het vermeende Anatolische ecotype” van silphion.7221

De archeobotanicus Erica Rowan, geciteerd door National Geographic, vond de redenering aannemelijk. De historicus van antieke medicinale planten Alain Touwaide betwijfelde het argument dat de plant Grieks is omdat er ooit Grieken woonden, en dacht dat het vergelijken van haar verbindingen met de voorgeschreven toepassingen van silphium een sterkere toets zou zijn.73 Appendino’s overzichtsartikel spreekt van een “vermeende herontdekking in een afgelegen gebied van Anatolië”.15 Miski zelf heeft gewaarschuwd dat publicaties die Anatolische Ferula-wortels als afrodisiacum aanprijzen, ook tegen erectiestoornissen, deze blootstellen aan ongecontroleerde exploitatie op korte termijn; een grote populatie van F. elaeochytris op de berg Kasios (Kel Dağı), meldde hij, was al vernietigd.12

Zie ook

Footnotes

  1. Pearce, L. (2023). “Apiaceae”. In Bramley; Trias-Blasi; Wilford. The Kew Temperate Plant Families Identification Handbook. Quoted in Plants of the World Online, “Apiaceae Lindl.: general information”. Royal Botanic Gardens, Kew. Retrieved 26 September 2026. ↩ ↩2 ↩3 ↩4 ↩5 ↩6 ↩7 ↩8 ↩9 ↩10

  2. Milliken; Klitgard; Baracat (2009 onwards). “Apiaceae”. Neotropikey. Quoted in Plants of the World Online, “Apiaceae Lindl.: general information”. Retrieved 26 September 2026. ↩ ↩2 ↩3 ↩4 ↩5 ↩6 ↩7 ↩8

  3. Jackson, B. D. (1905). A Glossary of Botanic Terms, with their Derivation and Accent. 2nd ed. London: Duckworth. pp. 64–65, 279–280, 288. ↩ ↩2 ↩3 ↩4

  4. Govaerts, R. (2026). The World Checklist of Vascular Plants. Royal Botanic Gardens, Kew. GBIF checklist dataset, version of 4 June 2026. doi:10.15468/6h8ucr. Retrieved 26 September 2026. ↩ ↩2 ↩3 ↩4 ↩5 ↩6

  5. “Umbelliferae”. Flora of Iraq. 5 (2). Quoted in Plants of the World Online, “Apiaceae Lindl.: general information”. Retrieved 26 September 2026. ↩ ↩2 ↩3 ↩4 ↩5 ↩6 ↩7 ↩8

  6. FAO (2025). “Production: Crops and livestock products”. FAOSTAT. Items 0426, 0711 and 1735; dataset update of 31 December 2025. Retrieved 26 September 2026. ↩ ↩2 ↩3 ↩4 ↩5 ↩6

  7. Reynolds, T. (2005). “Hemlock alkaloids from Socrates to poison aloes”. Phytochemistry. 66 (12): 1399–1406. doi:10.1016/j.phytochem.2005.04.039. ↩ ↩2 ↩3

  8. Schep, L. J.; Slaughter, R. J.; Becket, G.; Beasley, D. M. G. (2009). “Poisoning due to water hemlock”. Clinical Toxicology. 47 (4): 270–278. doi:10.1080/15563650902904332. ↩ ↩2

  9. Klimaszyk, P.; Klimaszyk, D.; Piotrowiak, M.; Popiołek, A. (2014). “Unusual complications after occupational exposure to giant hogweed (Heracleum mantegazzianum): a case report”. International Journal of Occupational Medicine and Environmental Health. 27 (1): 141–144. doi:10.2478/s13382-014-0238-z. ↩ ↩2

  10. Walling, A. L.; Walling, H. W. (2018). “Phytophotodermatitis induced by wild parsnip”. Dermatology Online Journal. 24 (2): 13030/qt0rc4v2qz. PMID 29630166. ↩ ↩2

  11. Theophrastus. Enquiry into Plants, book VI, 3.1–3. Translated by A. Hort (1916). Loeb Classical Library. Vol. 2, pp. 15–19, with the critical notes. ↩ ↩2 ↩3

  12. Miski, M. (2021). “Next chapter in the legend of silphion: preliminary morphological, chemical, biological and pharmacological evaluations, initial conservation studies, and reassessment of the regional extinction event”. Plants. 10 (1): 102. doi:10.3390/plants10010102. ↩ ↩2 ↩3 ↩4 ↩5 ↩6 ↩7 ↩8

  13. Amigues, S. (2004). “Le silphium — état de la question”. Journal des Savants. 2004 (2): 191–226. doi:10.3406/jds.2004.1685. ↩ ↩2 ↩3 ↩4 ↩5 ↩6 ↩7 ↩8 ↩9 ↩10

  14. Pliny the Elder. Naturalis Historia, 19.38–41. Latin text ed. K. Mayhoff (1906); translated by J. Bostock and H. T. Riley (1855). ↩ ↩2 ↩3 ↩4 ↩5

  15. Appendino, G. (2026). “The enigmatic Silphion: a phytochemical perspective”. Phytochemistry. 252: 115044. doi:10.1016/j.phytochem.2026.115044. ↩ ↩2 ↩3 ↩4 ↩5

  16. Plants of the World Online. “Apiaceae Lindl.”, with its list of accepted genera and search service. Royal Botanic Gardens, Kew. Retrieved 26 September 2026. ↩ ↩2 ↩3 ↩4

  17. Proctor (2012). “Umbelliferae”. Flora of the Cayman Islands. 2nd ed. Quoted in Plants of the World Online, “Apiaceae Lindl.: general information”. Retrieved 26 September 2026. ↩ ↩2

  18. Clarkson, J. J.; Zuntini, A. R.; Maurin, O.; et al. (2021). “A higher-level nuclear phylogenomic study of the carrot family (Apiaceae)”. American Journal of Botany. 108 (7): 1252–1269. doi:10.1002/ajb2.1701. ↩ ↩2 ↩3 ↩4 ↩5

  19. Utteridge; Jennings (2022). “Apiaceae”. Trees of New Guinea. Quoted in Plants of the World Online, “Apiaceae Lindl.: general information”. Retrieved 26 September 2026. ↩ ↩2

  20. Christenhusz, M. J. M.; Byng, J. W. (2016). “The number of known plants species in the world and its annual increase”. Phytotaxa. 261 (3): 201–217. doi:10.11646/phytotaxa.261.3.1. ↩

  21. Kuran, F. K.; Senadeera, S. P. D.; Wang, D.; et al. (2025). “Sesquiterpene coumarin ethers and phenylpropanoids from the roots of Ferula drudeana, the putative Anatolian ecotype of the silphion plant”. Molecules. 30 (9): 1916. doi:10.3390/molecules30091916. ↩ ↩2

  22. The Angiosperm Phylogeny Group (2016). “An update of the Angiosperm Phylogeny Group classification for the orders and families of flowering plants: APG IV”. Botanical Journal of the Linnean Society. 181: 1–20. doi:10.1111/boj.12385. ↩ ↩2 ↩3 ↩4

  23. Nicolas, A. N.; Plunkett, G. M. (2009). “The demise of subfamily Hydrocotyloideae (Apiaceae) and the re-alignment of its genera across the entire order Apiales”. Molecular Phylogenetics and Evolution. 53 (1): 134–151. doi:10.1016/j.ympev.2009.06.010. ↩ ↩2

  24. International Plant Names Index. Records for Apioideae, Saniculoideae, Azorelloideae and Mackinlayoideae. Retrieved 26 September 2026. ↩

  25. Wen, J.; Xie, D.-F.; Price, M.; et al. (2021). “Backbone phylogeny and evolution of Apioideae (Apiaceae): new insights from phylogenomic analyses of plastome data”. Molecular Phylogenetics and Evolution. 161: 107183. doi:10.1016/j.ympev.2021.107183. ↩

  26. Baczyński, J.; Sauquet, H.; Spalik, K. (2022). “Exceptional evolutionary lability of flower-like inflorescences (pseudanthia) in Apiaceae subfamily Apioideae”. American Journal of Botany. 109 (3): 437–455. doi:10.1002/ajb2.1819. ↩ ↩2 ↩3 ↩4

  27. Turland, N. J.; Wiersema, J. H.; Barrie, F. R.; et al., eds. (2025). International Code of Nomenclature for algae, fungi, and plants (Madrid Code). Regnum Vegetabile 162. Chicago: University of Chicago Press. Art. 18. doi:10.7208/chicago/9780226839479.001.0001. ↩ ↩2

  28. Lewis, C. T.; Short, C. (1879). A Latin Dictionary. s.vv. apium, umbella. ↩ ↩2 ↩3

  29. Harper, D. “umbel”; “carrot”; “celery”. Online Etymology Dictionary. Retrieved 26 September 2026. ↩ ↩2 ↩3

  30. Perglová, I.; Pergl, J.; Pyšek, P. (2006). “Flowering phenology and reproductive effort of the invasive alien plant Heracleum mantegazzianum”. Preslia. 78: 265–285. ↩

  31. Townsend (1989). “Umbelliferae”. Flora of Tropical East Africa. Quoted in Plants of the World Online, “Apiaceae Lindl.: general information”. Retrieved 26 September 2026. ↩ ↩2

  32. Sousa, R. M. O. F.; Cunha, A. C.; Fernandes-Ferreira, M. (2021). “The potential of Apiaceae species as sources of singular phytochemicals and plant-based pesticides”. Phytochemistry. 187: 112714. doi:10.1016/j.phytochem.2021.112714. ↩

  33. Chen, Y.; Peng, S.; Luo, Q.; et al. (2015). “Chemical and pharmacological progress on polyacetylenes isolated from the family Apiaceae”. Chemistry & Biodiversity. 12 (4): 474–502. doi:10.1002/cbdv.201300396. ↩

  34. Christensen, L. P. (2011). “Aliphatic C17-polyacetylenes of the falcarinol type as potential health promoting compounds in food plants of the Apiaceae family”. Recent Patents on Food, Nutrition & Agriculture. 3 (1): 64–77. doi:10.2174/2212798411103010064. ↩

  35. Christensen, L. P. (2020). “Bioactive C17 and C18 acetylenic oxylipins from terrestrial plants as potential lead compounds for anticancer drug development”. Molecules. 25 (11): 2568. doi:10.3390/molecules25112568. ↩

  36. Iorizzo, M.; Senalik, D. A.; Ellison, S. L.; et al. (2013). “Genetic structure and domestication of carrot (Daucus carota subsp. sativus) (Apiaceae)”. American Journal of Botany. 100 (5): 930–938. doi:10.3732/ajb.1300055. ↩

  37. Stolarczyk, J.; Janick, J. (2011). “Carrot: history and iconography”. Chronica Horticulturae. 51 (2): 13–18. ↩ ↩2

  38. Stolarczyk, J. “History”. World Carrot Museum. Retrieved 26 September 2026. ↩ ↩2

  39. Smith, K. A. (2013). “Carrots can’t help you see in the dark. Here’s how a World War II propaganda campaign popularized the myth”. Smithsonian Magazine. 13 August 2013; updated by M. Solly, 2 April 2025. Retrieved 26 September 2026. ↩ ↩2

  40. Liddell, H. G.; Scott, R.; Jones, H. S. A Greek–English Lexicon. 9th ed. s.vv. σέλινον, σαρδάνιος. ↩ ↩2

  41. Koerper, H. C.; Moerman, D. E. (2000). “Coinage of Greek Cyrenaica, the silphium economy, and exaggerated advertising”. HerbalGram. 48: 46–49. ↩ ↩2 ↩3 ↩4 ↩5 ↩6

  42. Evelyn, J. (1699). Acetaria: A Discourse of Sallets. London. No. 59, “Sellery”. ↩

  43. The Metropolitan Museum of Art. “Celery Vase”, pressed glass, American, 1840–50. Object 1493, collection record. Retrieved 26 September 2026. ↩

  44. Vetter, J. (2004). “Poison hemlock (Conium maculatum L.)”. Food and Chemical Toxicology. 42 (9): 1373–1382. doi:10.1016/j.fct.2004.04.009. ↩

  45. Hotti, H.; Rischer, H. (2017). “The killer of Socrates: coniine and related alkaloids in the plant kingdom”. Molecules. 22 (11): 1962. doi:10.3390/molecules22111962. ↩ ↩2 ↩3

  46. Dayan, A. D. (2009). “What killed Socrates? Toxicological considerations and questions”. Postgraduate Medical Journal. 85 (999): 34–37. doi:10.1136/pgmj.2008.074922. ↩ ↩2

  47. Plato. Phaedo, 116e–118a. Translated by B. Jowett (1892); Greek text ed. J. Burnet (1903). ↩ ↩2

  48. Dayan, A. D. (2024). “Death of Socrates: a likely case of poison hemlock (Conium maculatum) poisoning”. Clinical Toxicology. 62 (1): 56–60. doi:10.1080/15563650.2024.2309328. ↩

  49. Plutarch. Life of Phocion, 36. Translated by B. Perrin (1919). Loeb Classical Library, Lives, vol. VIII. p. 231. ↩

  50. Theophrastus. Enquiry into Plants, book IX, 16.8–9. Translated by A. Hort (1916). Loeb Classical Library. Vol. 2, pp. 303–305. ↩

  51. Strabo. Geography, 10.5.6. Translated by H. C. Hamilton and W. Falconer (1854–57). London: Bohn. ↩

  52. USDA Agricultural Research Service, Poisonous Plant Research Laboratory. “Water hemlock (Cicuta douglasii)”. Retrieved 26 September 2026. ↩

  53. Mitchell, M. I.; Routledge, P. A. (1978). “Hemlock water dropwort poisoning — a review”. Clinical Toxicology. 12 (4): 417–426. doi:10.3109/15563657809150012. ↩

  54. Lee, M. R.; Dukan, E.; Milne, I. (2020). “Three poisonous plants (Oenanthe, Cicuta and Anamirta) that antagonise the effect of γ-aminobutyric acid in human brain”. Journal of the Royal College of Physicians of Edinburgh. 50 (1): 80–86. doi:10.4997/JRCPE.2020.121. ↩

  55. Pausanias, 10.17.13. Translated by W. H. S. Jones (1918). ↩

  56. Homer. Odyssey, 20.301–302. Translated by A. T. Murray (1919). ↩

  57. Appendino, G.; Pollastro, F.; Verotta, L.; et al. (2009). “Polyacetylenes from Sardinian Oenanthe fistulosa: a molecular clue to risus sardonicus”. Journal of Natural Products. 72 (5): 962–965. doi:10.1021/np8007717. ↩

  58. Munakata, R.; Kitajima, S.; Nuttens, A.; et al. (2020). “Convergent evolution of the UbiA prenyltransferase family underlies the independent acquisition of furanocoumarins in plants”. New Phytologist. 225: 2166–2182. doi:10.1111/nph.16277. ↩

  59. Bruni, R.; Barreca, D.; Protti, M.; et al. (2019). “Botanical sources, chemistry, analysis, and biological activity of furanocoumarins of pharmaceutical interest”. Molecules. 24: 2163. doi:10.3390/molecules24112163. ↩

  60. Berenbaum, M. (1978). “Toxicity of a furanocoumarin to armyworms: a case of biosynthetic escape from insect herbivores”. Science. 201: 532–534. doi:10.1126/science.201.4355.532. ↩

  61. Chan, J. C. Y.; Sullivan, P. J.; O’Sullivan, M. J.; Eadie, P. A. (2011). “Full thickness burn caused by exposure to giant hogweed”. Journal of Plastic, Reconstructive & Aesthetic Surgery. 64 (1): 128–130. doi:10.1016/j.bjps.2010.03.030. ↩

  62. Austad, J.; Kavli, G. (1983). “Phototoxic dermatitis caused by celery infected by Sclerotinia sclerotiorum”. Contact Dermatitis. 9 (6): 448–451. doi:10.1111/j.1600-0536.1983.tb04461.x. ↩

  63. Berkley, S. F.; Hightower, A. W.; Beier, R. C.; et al. (1986). “Dermatitis in grocery workers associated with high natural concentrations of furanocoumarins in celery”. Annals of Internal Medicine. 105 (3): 351–355. doi:10.7326/0003-4819-105-3-351. ↩

  64. Seligman, P. J.; Mathias, C. G.; O’Malley, M. A.; et al. (1987). “Phytophotodermatitis from celery among grocery store workers”. Archives of Dermatology. 123 (11): 1478–1482. doi:10.1001/archderm.1987.01660350078017. ↩

  65. Ljunggren, B. (1990). “Severe phototoxic burn following celery ingestion”. Archives of Dermatology. 126 (10): 1334–1336. PMID 2221939. ↩

  66. Herodotus, 4.169. Translated by A. D. Godley (1920). ↩

  67. Johnston, E. (2022). “On the hunt for the mystery herb”. Royal Botanic Gardens, Kew. 2 February 2022. Retrieved 26 September 2026. ↩ ↩2 ↩3

  68. Amalraj, A.; Gopi, S. (2017). “Biological activities and medicinal properties of asafoetida: a review”. Journal of Traditional and Complementary Medicine. 7 (3): 347–359. doi:10.1016/j.jtcme.2016.11.004. ↩

  69. Strabo. Geography, 17.3.22. Translated by H. C. Hamilton and W. Falconer (1854–57). London: Bohn. ↩

  70. Solinus, C. Iulius. Collectanea rerum memorabilium, 27.48–49. Ed. Th. Mommsen, 2nd ed. Berlin: Weidmann (1895). p. 126 and preface. ↩

  71. Pliny the Elder. Naturalis Historia, 22.100–106. Translated by J. Bostock and H. T. Riley (1855). ↩

  72. Tosun, F.; Göger, F.; İşcan, G.; et al. (2023). “Biological activities of the fruit essential oil, fruit, and root extracts of Ferula drudeana Korovin, the putative Anatolian ecotype of the silphion plant”. Plants. 12 (4): 830. doi:10.3390/plants12040830. ↩

  73. Grescoe, T. (2022). “This miracle plant was eaten into extinction 2,000 years ago—or was it?”. National Geographic. 23 September 2022. Retrieved 26 September 2026. ↩

Dit artikel is een vertaling van het Engelse artikel, revisie 1789.

Brontekst bekijken voor Schermbloemenfamilie

Bewerken is opgeschort tijdens het zaadseizoen. Je kunt de brontekst van deze pagina bekijken en kopiëren.

In andere talen

Hogweed.org is in 17 talen in gemeenschappelijk bezit. Elke editie is vertaald vanuit de Engelse.

English Apiaceae
Deutsch Doldenblütler
Français Apiaceae
Español Apiaceae
Italiano Apiaceae
Português Apiaceae
Polski Selerowate
Nederlands Schermbloemenfamilie
Română Apiaceae
Ελληνικά Σκιαδοφόρα
Čeština Miříkovité
Svenska Flockblommiga växter
Magyar Zellerfélék
Dansk Skærmplante-familien
Suomi Sarjakukkaiskasvit
Norsk bokmål Skjermplantefamilien
Русский Зонтичные